Selecteer een pagina

Fotografische reproducties maken van geschilderde illustraties, het is eens iets anders.

Je kan je afvragen wat er moeilijk kan zijn aan “foto’s maken van prenten”. Toegegeven, het kleinste kind zou dit tegenwoordig kunnen met een smartphone. Maar toen Jennifer Vrielinck mij zei dat ze haar kamishibai tekeningen wilde doorsturen naar een uitgeverij om haar verhaal als kinderboek uit te brengen, flitsten er meteen een paar aandachtspuntjes door mijn hoofd, waar ik toch eens over moest nadenken.

In dit blogverhaal dus het volledige relaas over dit project.

Een Kamishibai is een Japans verteltheater.

Een houten kastje met deurtjes die open en dicht gaan, een beetje zoals een poppenkast dus, maar bedoeld om er tekeningen in te tonen waarmee een verhaal visueel ondersteund wordt.

Letterlijk betekent het woord kamishibai “papieren drama”. Het idee achter het kamishibai verteltheater ontstond in Japanse boeddhistische tempels in de 12de eeuw, waar monniken ongeletterde mensen toespraken.

En kijk, negen eeuwen later gebruikt Jennifer een kamishibai om kinderverhalen te brengen.

Een eerste hinderpaal die je tegen komt als je fotografische reproducties wil maken van schilderijen of tekeningen, is dat je een rechthoekige tekening effectief ook in een rechthoekig beeld wil omzetten. Het mag geen trapezium worden. Bovendien wil je alle rechte lijnen ook recht houden, wat soms wel moeilijk is omdat heel wat lenzen de neiging hebben om rechte lijnen ietwat bol weer te geven.

Om dit euvel te vermijden is het vooral een zaak om de camera op exact dezelfde hoogte te brengen als het midden van het kunstwerk. Daar komt dus een plooimeter aan te pas, wat op zich nog redelijk eenvoudig is.
Volgende aandachtspuntje is dat de camera loodrecht op het kunstwerk gericht staat. Daar komt dan onder andere een waterpas bij kijken, wat het al wat moeilijker maakt voor iemand met twee linkerhanden, zoals ik.

Eens de camera met een geschikte lens op een prefect loodrechte invalshoek staat kom je bij een tweede moeilijkheid: je wil de kleuren die een kunstenaar met heel veel liefde gemengd heeft op een schilderspalet ook weergeven zoals ze zijn. Daar komt dus ook wel wat bij kijken, want dan moet je als fotograaf aan de slag met “wit licht”. Zonder verder uit te wijden over de color rendering index van lichtbronnen kom je dus op flitslicht uit als beste optie. Om dat flitslicht egaal te verspreiden over het oppervlak van het kunstwerk moet je het licht trouwens “groot” maken. We hebben zo ons jargon in de wereld van de fotografie.

Vergeet dus die zogenoemde “ringflitsers” die je op een lens kan zetten. Die dingen zijn vooral handig voor tandartsen die gebitten willen fotograferen. Het werden dus twee grote softboxen links en rechts van de camera.

Een niet onbelangrijk detail bij het opbouwen van dit soort constructies is dat je alle kabeltjes netjes vast maakt met snelbinders en plakband. Als je een uur bezig geweest bent met meters en waterpassen om de camera exact te positioneren, wil je nadien echt niet aan je kabels haperen terwijl je de opnames maakt. Fotografen zijn trouwens massale afnemers van ducktape, maar daar heb ik het nog wel eens over in een volgend blogverhaal .

En dan kom ik tot mijn “testbeeld”.

Dit is een zelf ontworpen referentiebeeld, compleet met een scherpstelzone, drie kleurvakjes met de basiskleuren van onze RGB-kleurruimte en onderaan het zonesysteem van Ansel Adams.

Hoe dat nu concreet in zijn werk gaat? Eigenlijk is het vrij simpel: je gebruikt het referentiebeeld om na te gaan of je alle technische aspecten van de reproductie correct hebt. 

Om er zeker van te zijn dat de camera correct opgesteld staat, maak je gewoon een foto van het testbeeld en je kijkt op de computer of de buitenste rechthoek geen trapezium geworden is. 

Niet helemaal zeker of de belichting en het contrast optimaal zijn? Met een enkele blik op het zonesysteem (die reeks vakjes onderaan die van zwart naar wit gaan) weet je of je nog alle detail hebt in de zwarte en witte tinten. Toch nog wat twijfel over de juiste kleuren? Gewoon het “pipetje” erbij nemen in Photoshop om de kleuren van de RGB-vakjes eens te sampelen.

Soms heb ik dus van die momenten waarop ik mezelf geniaal vind. Of er dan al dan niet sprake is van een correct zelfbeeld, laat ik hierbij in alle bescheidenheid in het midden. Maar, mijn zelf ontworpen referentiebeeld is toch iets waar ik trots op ben.